September 11, 2026

Zijn we hiervoor naar Etosha gekomen?

Als je een safari plant, gebeurt er iets gevaarlijks. Je kijkt filmpjes. Veel filmpjes. Op YouTube zie je leeuwen die buffels achtervolgen. Op Instagram wandelen luipaarden langs jeeps alsof ze een afspraak hebben. In reisbrochures staan olifanten netjes opgesteld voor de zonsondergang. Na een paar maanden voorbereiding begin je onbewust te geloven dat Afrika één grote documentaire is. Tot je aankomt in Etosha.

De eerste dag was nochtans fantastisch. Olifanten overal. Giraffen aan de waterput. Een kudde van veertig olifanten die zich stond te wassen, om ons daarna zelfs compleet te omsingelen. Voor ons. Achter ons. Links. Rechts. Met baby-olifantjes ertussen. Dat was het Afrika waar we op gehoopt hadden. Misschien zelfs meer. Daardoor maakten we één klassieke fout. We verwachtten dat morgen nog beter zou worden.

Maar Afrika heeft geen boodschap aan verwachtingen. De volgende ochtend vertrokken we opnieuw vol goede moed. Vandaag gingen we de grote prijzen pakken. Leeuwen. Neushoorns. Misschien zelfs een luipaard. De kinderen waren er klaar voor. Wij ook. De werkelijkheid had echter andere plannen.

Waterput één. Niks.

Waterput twee Ook niks.

Waterput drie. Een paar zebra’s. Leuk, maar we hadden ondertussen genoeg zebra’s gezien om er zelf eentje te tekenen.

We reden verder. En verder. En verder. Bumpy roads. Stof. Nog meer stof. En weer een lege waterput. Het begon stil te worden in de wagen. Niet omdat iedereen genoot van de natuur. Omdat niemand het durfde uitspreken. Dit viel eigenlijk een beetje tegen.

De ironie was dat we er hard voor werkten. Uren reden we rond. Iedere bocht kon dé bocht zijn. Iedere struik kon een leeuw verbergen. Iedere waterput kon de jackpot opleveren. Maar telkens opnieuw kregen we hetzelfde resultaat: niets. En hoe langer het duurde, hoe groter de teleurstelling werd. Want ergens in je achterhoofd blijft die gedachte zitten: “Zijn we hiervoor naar Etosha gekomen?”

Tegen de middag waren we zelfs een beetje chagrijnig. Niet veel. Maar toch genoeg. We hadden meer verwacht van het beroemde Etosha. Veel meer. Kruger in Zuid-Afrika had een stevige indruk nagelaten. En voorlopig leek Etosha die vergelijking niet te winnen.

En dan gebeurde iets typisch Afrikaans. Net wanneer je de hoop opgeeft. Net wanneer je beslist dat vandaag gewoon geen topdag wordt, verschijnen ze. 2 hyena’s. En ze waren aan het eten. We parkeerden de wagen. Motor uit. Ramen open. En plots hoorden we het. Krak. Nog eens krak. Botten. Het geluid van botten die tussen de kaken van een hyena versplinterden. Niet op televisie. Niet in een natuurdocumentaire. Op twintig meter van onze wagen. De cirkel van het leven, maar dan zonder Disney-muziek op de achtergrond.

Het vreemde aan hyena’s is dat je ze eigenlijk niet wil bewonderen. Niemand hangt een poster van een hyena boven zijn bed. Kinderen verzamelen geen knuffelhyena’s. Als je naar Afrika reist, droom je van leeuwen. Niemand zegt: “Hopelijk zie ik een prachtige hyena.” Tot je er één bezig ziet. Dan verandert er iets. Dan zie je geen lelijk dier meer. Dan zie je een machine. Een perfect aangepast roofdier. Spieren. Kaken. Instinct. Alles gericht op overleven. Eén hyena wandelde rustig naar een waterput vlakbij. Alsof ze net een uitgebreide lunch achter de rug had en even haar handen ging wassen. Alleen hebben hyena’s geen handen natuurlijk. Aan dezelfde waterput stond een giraf te drinken. Het elegantste dier van Afrika naast een dier dat eruitzag alsof iemand een wolf had samengesteld met de reserveonderdelen van een hond.

Toch bleef de grote trofee uit. Geen leeuw. Geen neushoorn. Het bezoekuur van Etosha liep stilaan op zijn einde. Nog twee waterputten, twee kansen. De sfeer in de wagen leek op een voetbalmatch waarin je met 0-0 de negentigste minuut ingaat. Iedereen weet dat het waarschijnlijk gedaan is.

Tot plots: “STOP!”

Dat ene woord veranderde alles. Tussen de struiken stond iets grijs. Iets groot. Iets waarvan je eerst niet zeker weet of het een rots is. Of een schaduw. Of gewoon wishful thinking. Maar neen. Een neushoorn. Perfect verstopt. Alsof hij zelf niet gevonden wilde worden. Hij besloot mee te werken. Langzaam stapte hij uit de struiken. Volledig zichtbaar. Alsof hij wist hoeveel moeite we hadden gedaan. Alsof hij wist hoeveel gesprekken we in de auto al hadden gevoerd over zijn afwezigheid. We stonden daar met een glimlach van oor tot oor. Vijf minuten later stopte een andere wagen. Ook zij mochten genieten. Maar wij hadden hem eerst gevonden en dat maakt dit altijd wat specialer. Even later verscheen er zelfs nog een tweede neushoorn. Etosha had gescoord in blessuretijd. Niet met een hattrick. Niet met vuurwerk. Maar met precies genoeg.

En misschien was dat uiteindelijk de les van die dag. We dachten achteraf nog vaak terug aan onze chagrijnige gedachte “Zijn we hiervoor naar Etosha gekomen?”. Achteraf is dat natuurlijk volledig absurd, maar op dat moment voelde het niet zo. Safari is geen dierentuin. Je koopt geen ticket voor zekerheid. Je koopt een kans. Soms krijg je een dag vol olifanten. Soms krijg je uren stof, lege waterputten en twijfel. Maar net daardoor voelt die ene neushoorn alsof je de lotto hebt gewonnen. Als de natuur zich altijd liet plannen, zou ze haar magie verliezen.

We hebben in Namibië honderden dieren gezien. Maar als iemand me vraagt naar Etosha, vertel ik zelden over de olifanten. Ik vertel over die ene dag waarop er bijna niets te zien was.

Leave a comment